De kerk moet ondertekenaars van de Nashville verklaring terechtwijzen

In de afgelopen dagen is er veel te doen over enkele honderden christelijke leiders die een Nederlandse versie van de Nashville Verklaring hebben ondertekend. Inhoudelijk komt de verklaring hierop neer: Het huwelijk tussen man en vrouw is de enige door God gelegitimeerde relatie van trouw en liefde tussen twee mensen en de enige relatie waarin seksueel verkeer thuis hoort. Andere vormen zijn in strijd met de wil van God en mogen zeker binnen de christelijke gemeenschap geen ruimte krijgen. Mensen die zich als anders geaard beleven zijn een afwijking van de norm (ziekte?).

In brede christelijke kring is hierop afwijzend gereageerd. Maar tot nu toe vormen die afwijzingen niet meer dan standpunten tegen de Nashville verklaring. Ze maken de verdeeldheid binnen de kerk zichtbaar maar bieden niet echt bescherming tegen de schade die de Nashville Verklaring aanricht bij vele van onze medemensen. We zijn er daarom niet met afwijzende reacties in de media, of met ‘gewoon negeren’ of met een interne dialoog in de kerk. Nu deze christelijke leiders het publieke domein gekozen hebben voor dit ‘getuigenis’ zie ik geen andere optie voor de kerk en voor de christelijke theologie dan een publieke terechtwijzing. Dat gaat verder dan het afwijzen of ‘afstand nemen van’, waarop velen aandringen.

Ik zie hiervoor de volgende redenen:

Door met deze verklaring het publieke domein te betreden en in de naam van God een geaardheid en een levenswijze te veroordelen berokkenen de ondertekenaars onmiskenbaar psychische en maatschappelijke schade aan de mensen waarom het gaat. Keer op keer blijkt dat deze medemensen in onze samenleving gediscrimineerd worden en met soms gewelddadige afwijzing te maken krijgen. In die maatschappelijke context gooit de publicatie olie op het vuur van (gewelddadige) discriminatie, al dan niet in naam van God (of Allah). De verklaring geeft mensen die discrimineren immers een zwaarwegend argument in handen: ‘Christenen zeggen ook dat God de geaardheid en levenswijze veroordeeld’. De verklaring is meer dan een ander geluid of een bijdrage aan een maatschappelijk debat. Ze heeft met haar beroep op het allerhoogste gezag, de wil van God, een onweerlegbare norm, gepresenteerd aan kerk en samenleving. Het past de kerk in deze context om het op te nemen voor de kwetsbare mensen in deze maatschappelijke context en om deze geloofsgenoten terecht te wijzen.

Een tweede reden voor het ter verantwoording roepen is dat de ondertekenaars veelal een leidende rol hebben in christelijke gemeenschappen. Van hen mag je verwachten dat zij voldoende onderlegd zijn in het duiden van de Bijbel om te beseffen dat het onmogelijk is om zoiets als Gods wil over dit onderwerp af te leiden uit de Bijbel. Het voldoet niet om Bijbelteksten te citeren die de verklaring lijken te ondersteunen. Je gaat dan voorbij aan de vele interpretatieslagen die je moet maken en aan de menselijke oorsprong van die teksten. Tenminste predikanten binnen de PKN weten dit. Elk fundament voor de stellingname in de verklaring ontbreekt daarom.  Christelijke leiders hebben de verantwoordelijkheid om terughoudend om te gaan met het gebruik van Gods naam voor hun standpunten en die van hun gemeenschappen. Op dit punt zou ik van bijbelwetenschappers een collectieve en  gefundeerde afwijzing van dit misbruik van de Bijbel verwachten. Leiders die deze verklaring ondertekenden zouden zowel door bijbelwetenschappers als door de kerkleiders ter verantwoording geroepen moeten worden voor de pretentie namens God te kunnen spreken, hetzij in onwetendheid, dan wel met voorbijzien aan de kennis die zij hebben. Het is dan niet voldoende om te spreken over theologische eenzijdigheid. Dit gaat veel verder.

Het pleidooi om over de kwestie een dialoog binnenskamers te voeren is begrijpelijk vanuit het belang van de kerk zelf, maar gaat voorbij aan het feit dat de ondertekenaars de verklaring zelf in het publieke domein hebben ingebracht en daarmee schade berokkend hebben aan anderen. Als de kerk in deze situatie niet in staat is om duidelijkheid te verschaffen en het op te nemen voor de mensen die hier worden aangevallen, dan verliest zij terecht haar geloofwaardigheid als veilige plek voor alle mensen.

Drs. Marten Knevel

Advertenties

Pleidooi voor inclusief kerk zijn

Een verwarrende synodevergadering

Een synodelid met homoseksuele geaardheid had gevraagd om recht gedaan te worden. Hij ervaart de wijze waarop in de kerkorde over relaties van liefde en trouw spreekt als discriminerend. Een rapport op de najaar synode van 2017 ging niet over recht en onrecht maar over onoverbrugbare verschillen in (geloofs)opvatting. Na een emotionele nabespreking constateerde het synodelid in plaats van recht begrip gekregen te hebben. Dit najaar zet de synode het gesprek voort.

 

Wat communiceert de kerkorde?

In de Ordinanties 5.3 en 5.4 maakt de kerk onderscheid tussen zegenen en inzegenen, waarbij de laatste gereserveerd is voor het traditionele huwelijk tussen man en vrouw. Het verschil tussen deze begrippen blijft wat onduidelijk, maar met de begrippen maakt de kerk onderscheid (discrimineert) tussen het huwelijk tussen verschillende soorten huwelijken

Vervolgens verbindt de kerk de voorwaarde aan het zegenen van die andere ‘huwelijksverbintenis’, dat er in de gemeente beraad over plaatsvindt en dat een gemeente na dit beraad akkoord gaat met het zegenen van die relatie.

Zo legitimeert de kerk een geloofsopvatting dat andere huwelijken dan die tussen man en vrouw niet te rijmen zijn met Gods bedoeling en geeft deze zelfs grotere legitimiteit dan een ruimhartiger geloofsopvatting. Immers het uitgangspunt is dat deze relaties niet gezegend worden. In mijn ogen realiseert de kerk zich onvoldoende welke verantwoordelijkheid zij daarmee op zich laadt voor de positie van mensen met een niet heteroseksuele geaardheid en hun relaties.

 

De context doet ertoe

Nog bijna dagelijks komen er berichten over discriminatie van en geweld tegen mensen vanwege hun geaardheid en hun ‘andersoortige’ relaties. Ook uit Nederland. Een nieuwsbericht deze zomer vermeldde dat er onderzoek komt naar het sterk toegenomen aantal zelfmoorden. Bijzonder aandacht zal worden besteed aan homo’s, lesbiennes en transgenders. Waarom?

In veel landen is het erger. In veel landen wordt het bestaan van homo’s ontkend. Uitkomen voor je geaardheid kan je duur komen te staan. Er staan wettelijk straffen tot aan de doodstraf toe op homoseksualiteit en maatschappelijk geweld tegen homo’s blijft onbestraft. In het christelijke Roemenië heeft de kerk geprobeerd het huwelijk tussen mensen van gelijk geslacht onmogelijk te maken.

Dit geen ‘ver van mijn bed show’ meer. Christelijke en andersgelovige immigranten nemen hun denkbeelden mee.

Nederland is relatief tolerant, maar christenen blijken hier negatief bij af te steken. In het juni-nummer van het blad ‘Promise’, betoogt de redacteur dat de Bijbel zich ontegenzeggelijk uitspreekt tegen homoseksualiteit en dat andere opvattingen (dus) het werk van de duivel zijn. In het Nederlands Dagblad vertelt een lesbische bekeerling, dat haar kerk aandrong op beëindiging van haar lesbische relatie. Volgens de  R.K.-kerk strookt haar relatie niet met de leer van de kerk.

Keuzes die de kerk maakt in deze maatschappelijke context doen er toe. Wij maken deel uit van dit publieke domein. Als wij als kerk legitimiteit verlenen aan discriminerende geloofsopvattingen, dan dragen wij bij aan een klimaat van uitsluiting en geweld tegen medemensen.

 

Hoe gaan we om met tegenstellingen?

In een terugblik op de synodevergadering van november 2017 schrijft de scriba “In de Protestantse Kerk gaat het om inclusief kerkzijn, delend aan de ene tafel, die ervan leeft dat God ‘beide kinderen’ ziet, uit liefde. Zowel homo’s als hetero’s. Ook hen die innerlijk geen ruimte vinden voor inzegening van een homohuwelijk.”

De vraag of geloofsopvattingen door de beugel kunnen stelt hij niet. Logisch toch? De kerk is  pluriforme en vrijheid van godsdienst is in de grondwet verankerd!

Toch is het vreemd, dat een kerk die ‘inclusief kerk zijn’ tot norm maakt, ook geloofsopvattingen en gemeenschappen legitimeert die inclusiviteit afwijzen. Het roept de vraag op of je in de kerk bepaalde geloofsopvattingen niet krachtiger ter discussie moet stellen.

Wij gaan liever de weg van het respectvol gesprek. Die weg ben ik zelf als predikant ook gegaan met twee gemeenten. Lange intensieve processen die niet konden voorkomen dat toch gemeenteleden vertrokken.

De tekst in de kerkorde is de uitkomst van een vergelijkbaar proces. Toch hebben een aantal gemeenten de Protestantse Kerk verlaten. En volgens het moderamen zijn nu, veertien jaar later, “de tegenstellingen in de kerk over deze kwestie niet minder geworden”. Hoe is dat mogelijk? Wat is er in die veertien jaar gebeurd? Vijftig jaar geleden werd het (kerkelijk) homohuwelijk een kwestie in het publieke debat en is dit waar wij nu zijn?!

 

Predikanten en theologen?

Mogen wij in de kerk een geloofsopvatting, die een homohuwelijk als inferieur beschouwt en de mogelijkheid van inzegening ontzegt koesteren? Als predikant en theoloog ljkt mij dat onverdedigbaar. Volgens mij valt het ons predikanten en theologen aan te rekenen als wij gelovigen met deze geloofsopvatting niet ter verantwoording roepen. Wij hebben de kennis en het instrumentarium om duidelijk te maken dat deze opvatting niet deugt, maar wij hebben verzuimd om die in te zetten. Gemeenteleden valt alleen iets te verwijten als zij zich rigide afsluiten voor elke correctie van hun  geloofsopvatting. Ik wil dit nader toelichten.

 

Kan elke geloofsopvatting richtinggevend zijn voor ons handelen?

Professor Daniel DeNicola[1] Legt uit dat ieder mens geloofsopvattingen meekrijgt die niet deugen. Dat valt niemand te verwijten. Maar, zo stelt hij, het is wel verwijtbaar als mensen rigide vasthouden aan dit soort overtuigingen en weigeren om zich beter te laten informeren. Hij betoogt dat geloofsopvattingen niet deugen als zij feitelijk onjuist zijn, als zij moreel verwerpelijk zijn (discriminerend etc.) en als zij op onverantwoordelijke wijze tot stand gekomen zijn of in stand gehouden worden (dubieuze bronnen). Vasthouden aan ondeugdelijke geloofsopvattingen acht hij gevaarlijk en niet acceptabel omdat zij zich vertalen in gedrag dat het goede samenleven kan bedreigen.

Gemeenten, die verschillende huwelijken ongelijk behandelen, discrimineren en hebben dus een negatieve invloed hebben op het goede samenleven. De overtuiging dat God het zo wil kan niet voldoende onderbouwd worden. Iedere geschoolde predikant en theoloog weet dat het onmogelijk is om op basis van de Bijbel of traditie zulke ‘gezaghebbende’ conclusies te trekken. Dat vraagt om een hele reeks interpretatieslagen, die alle betwijfelbaar zijn. Een paar voorbeelden: Op welke manier kan de Bijbel als Gods Woord beschouwd worden? Zijn teksten normatief of alleen als beschrijvend? Welke invloed heeft een cultureel bepaalde norm? In hoeverre gaat het in de Bijbel over verschillende vormen van huwelijk zoals wij die kennen? De veelheid van opvattingen maakt een gezaghebbend beroep op ‘Gods wil’ onmogelijk.

 

Verantwoordelijkheid van theologen?

Een van de collega predikanten luchtte zijn hart op de synodevergadering met de woorden: “Ik kan met heel veel consideraties die hier op tafel liggen mee als het om mijn eigen ziel gaat. Maar ik zit met diezelfde ziel vast aan de Gereformeerde Bond en confessionele beweging. Ik voel me verscheurd. Ik wil niet dat gemeenten de Protestantse Kerk verlaten. … Help ons dan … om dat gesprek te voeren.” Ik herken dat gevoel van machteloosheid, maar realiseer mij nu dat dit onterecht is. Zes jaar opleiding heeft ons het instrumentarium gegeven gemeenteleden te onderwijzen en hen te corrigeren. Achteraf besef ik dat ik verzuimd heb dat voldoende in te brengen.

De ervaring leert dat dit ook gebeurt op de theologische opleiding. In mijn studententijd heb ik ook homoseksuele vrienden terechtgewezen. Noch in de gemeente, noch aan de universiteit ben ik daar ooit op aangesproken. Een lesbische stagebegeleider, die de kerk al vaarwel gezegd had confronteerde wel mij met mijn opvattingen. Verder was het aan mijzelf om alle informatie te verwerken. Studiegenoten konden veel van wat zij leerden naast zich neerleggen en met ongefundeerde discriminerende geloofsopvattingen predikant worden. Niemand die hen hierop aansprak. Ook ik niet.

Hoe is het nu? Trouw van 17 april schrijft over de verrechtsing onder theologiestudenten. Theologiestudenten spreken uit dat zij moeite hebben met de vrouw in het ambt en met het homohuwelijk. Dit kan verklaarbaar zijn vanwege hun achtergrond, maar van een theologische opleiding mag je toch verwachten dat zij van haar studenten een deugdelijke verantwoording voor hun opvattingen eist. Een medewerker: “Bij de PThU mogen studenten denken wat zij willen, als zij aan de studie beginnen en ook tijdens de academische opleiding.”  En een hoogleraar: “Theologiestudenten – van wie een deel dominee wordt – hebben vaak conservatievere ideeën over vrouwen en homoseksuelen. Ze hebben soms moeite met de vrouw in het ambt en met het zegenen van homoseksuele relaties in de kerk – wat in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) beide mogelijk is, maar niet wordt voorgeschreven.”. En daarmee zijn wij weer terug bij de Kerkorde.

 

Willen wij een Kerkorde die een ondeugdelijke en discriminerende opvatting legitimeert? Of durven wij te kiezen voor een rechtvaardige kerkorde?

Als theologen staan wij voor de uitdaging om de ondeugdelijkheid van deze opvattingen aan het licht te brengen.

Met de scriba zou ik willen zeggen: Het gaat ons om een inclusief kerk-zijn die uitdrukt dat  Gods liefde uitgaat naar alle kinderen. Maar dat kan alleen als we een geloofsopvatting die anderen discrimineert om hun andere manier van uiting geven aan liefde en trouw binnen kerk tegenspreken en ter verantwoording roepen.

Marten Knevel

20 juli 2018

[1] Het artikel valt hier te lezen: https://aeon.co/ideas/you-dont-have-a-right-to-believe-whatever-you-want-to

 

Christelijk Geloven? Waarom zou je? – 1

Als het je weinig kan schelen of het er eerlijk aan toegaat in je gezin, onder je vrienden, op je werk of …. onder mensen, dan is er weinig reden om christelijk te geloven. Maar wie heeft daar nu niets mee? Je wilt zelf toch eerlijk behandeld worden? Je kunt er bovendien slecht tegen als je het verwijt krijgt dat jij een ander onrecht aangedaan hebt. Je natuurlijke reactie is dan om jezelf te ‘rechtvaardigen’. Veel mensen beweren van zichzelf dat ze een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel hebben. Zij kunnen gemakkelijk een ‘onrecht’ noemen waar zij zich boos over maken. Als dit waar is voor jou, dan is dat een belangrijke reden om wel christelijk te geloven. Daarom is het namelijk begonnen.

De titel boven deze blog is niet bijzonder origineel. Even googelen en je vindt zo een handvol boekjes met ongeveer dezelfde titel. Ze willen twijfelaars overtuigen van (de waarde van) het christelijk geloof of juist de overbodigheid van van het christelijk geloof aantonen. Ik wil je vooral uitnodigen om eens met andere ogen naar ‘christelijk geloven’ te kijken en jezelf af te vragen: “Welke waarde zou christelijk geloven kunnen hebben; niet alleen voor mijzelf maar ook voor ons samenleven?”.

Waarschijnlijk heb je al gemerkt dat ik niet consequent ben in de begrippen die ik gebruik. De ene keer spreek ik over ‘het christelijk geloof’ en de andere keer over ‘christelijk geloven’.  Ik doe dat bewust, omdat het verschil maakt. Meestal hebben we het over ‘het christelijk geloof’. Schrijvers van de boekjes verdedigen het of vallen het aan en mensen zijn er van overtuigd of betwijfelen het. De pas overleden theoloog Harry Kuitert, sprak met een van zijn boeken zelfs over het algemeen betwijfeld christelijk geloof. Hij nam daarmee bewust afstand van ‘het algemeen onbetwijfeld christelijk geloof’, een uitdrukking die veel kerken gebruiken in de eredienst.

Zij wekken met deze wijze van spreken de indruk dat het over een verschijnsel gaat, namelijk ‘geloof’ …. of ‘religie’ … of ‘godsdienst’, met een aantal vaststaande eigenschappen,  De eerste eigenschap waar je dan aan denkt is: “Het draait om God”. Het bijvoeglijk naamwoord ‘christelijk’ onderscheidt het van andere ‘geloven’, ‘religies’ of ‘godsdiensten’: het gaat hier om een christelijke variant. Deze variant onderscheidt zich dus door bepaalde kenmerken van die andere ‘geloven’. In het verlengde hiervan hoor je vaak spreken over ‘de christelijke God’. Een van de onderscheidende kenmerken is  dus de ‘visie op God’ of het ‘godsbeeld’. Het bepaalde lidwoord ‘het’ legt het nog eenduidiger vast. Je kunt ‘het christelijk geloof nauwkeurig omschrijven.

Toch waren wij christenen daar blijkbaar nog niet zeker genoeg van en wij gingen dus spreken over ‘het algemeen onbetwijfeld christelijk geloof’ en we voegen daar graag aan toe: ‘dat wij belijden met de kerk van alle tijden en plaatsen’. In veel kerken gebruiken we die formulering als inleiding op het uitspreken van de ‘geloofsbelijdenis’ in de vorm van de twaalf artikelen van het geloof:

  1. Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.
  2. En in Jezus Christus Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere;
  3. Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit den maagd Maria;
  4. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle;
  5. Ten derden dage wederom opgestaan van de doden;
  6. Opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders;
  7. Vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.
  8. Ik geloof in den Heiligen Geest.
  9. Ik geloof één heilige, algemene Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen;
  10. Vergeving der zonden;
  11. Wederopstanding des vleses;
  12. En een eeuwig leven.

Zo hebben we ‘het christelijk geloof’ in gewapend beton gegoten. Er zijn een aantal vaste kenmerken aan het christelijk geloof: Het gaat over God, het gaat over zijn eigenschappen (Godsbeeld), het gaat over wat Hij gedaan heeft, het gaat over wat Hij nog doet en nog zal doen en het gaat over wat dit allemaal betekent voor ons. Logisch dat in de discussie over zin en onzin van het christelijk geloof deze thema’s vaak centraal staan. De eerste vraag is vrijwel altijd ‘Bestaat God?’

Schijn bedriegt! In de praktijk is ‘het christelijk geloof’ niet zo in beton gegoten. Niet alle kerken van alle tijden onderschrijven de twaalf artikelen. ‘Het christelijk geloof’ is door de geschiedenis heen in beweging. We vinden er telkens nieuwe formuleringen voor en bovendien verschillen we daarin van elkaar in allerlei kerken en plaatsen. (Overigens gaat het bij het zoeken naar formuleringen (geloofsleer, dogmatiek) wel vaak over bovenstaande thema’s). Je zou dus kunnen zeggen dat ‘het christelijk geloof’ in beweging is. Dat is een reden waarom ik liever spreek over ‘christelijk geloven’. ‘Geloven’ is een werkwoord, het suggereert beweging.

Er is nog een reden waarom ik liever over ‘christelijk geloven’ spreek, en die is belangrijker. Als je kijkt naar de dagelijkse praktijk van de kerken en van de gelovigen, dan zie je dat de thema’s waarover het in ‘het christelijk geloof’ gaat, niet de thema’s zijn waar het in de praktijk om draait. Waar het wel om gaat? Dat blijkt opnieuw flink te verschillen. In de ene traditie draait het om de liturgie en de bijbehorende mystiek die het leven draagt, in een andere om de trouw aan en de zorgvuldige verkondiging van het Woord. In weer een andere traditie staat de extatische (Gods)ervaring centraal en in veel tradities de beleving van de persoonlijke binding met die traditie waar je uit voortkomt. Er zijn tradities die de beleving van de onderlinge verbondenheid (gemeenschap) centraal stellen en er zijn tradities die de hoop op een beter leven centraal stellen. Altijd gaat het bij gelovigen over de vraag hoe zij zich tot een of meer van deze tradities zullen verhouden en de praktijk blijkt dat die verhouding ook aan verandering onderhevig is. Soms treden mensen in de voetsporen van hun voorvaderen, soms breken zij en kiezen zij voor een andere traditie. Altijd geven ze uiteindelijk zelf vorm aan hun christelijk geloven of zij nemen er afstand van. ‘Christelijk geloven’ krijgt elke keer weer opnieuw vorm in het leven en samenleven van mensen.

Ik begrijp dat het er niet eenvoudiger op wordt. Waar moet je beginnen als je over christelijk geloven spreekt? Wat is de grootste gemene deler in al deze vormen?

De sleutel is voor mij het bijvoeglijk naamwoord ‘christelijk’ en de verwijzing daarin naar Jezus Christus. Alle uitingsvormen van christelijk geloven zijn uiteindelijk terug te voeren op het luisteren naar het getuigenis over Jezus, de interpretatie daarvan en de reactie daarop. Soms is dat heel lang geleden en heeft er al eeuwen geen herijking plaats gevonden. In andere gevallen is dat van veel recenter datum. In de geschiedenis van de kerk zie je telkens weer bewegingen die een herijking van christelijk geloven bepleiten door opnieuw te luisteren naar het getuigenis over Jezus Christus. Mijn opvatting is dat wie zich op Jezus Christus beroept zich voortdurend vanuit zijn of haar eigen context laat aanspreken door die bron om vervolgens van daaruit als kerk en gelovigen telkens opnieuw vorm te geven aan christelijk geloven. Je zou mij daarom wel een fundamentalist kunnen noemen.

Mijn uitdaging aan jullie is dus om opnieuw te luisteren naar de verhalen die zijn leerlingen over Jezus vertellen en naar de woorden die zij van hem gehoord hebben en je dan af te vragen: Waarover hebben zij het eigenlijk en is het zinvol om daarin te geloven? Een ding kan ik je al wel verklappen: Het gaat niet in de eerste plaats over de thema’s waarover het in ‘het christelijk geloof’ zo vaak gaat. Ze hebben het niet in de eerste plaats over het bestaan van God, over zijn eigenschappen etc.. Ze hebben het wel over een rechtvaardige en liefdevolle samenleving en over de vraag hoe die er komt. Daarom is het begonnen. Als je daarmee iets hebt, dan is christelijk geloven misschien toch iets voor jou, zelfs al heb je vragen bij het bestaan van God en bij alles wat er aan hem wordt toegeschreven.

Marten

29 oktober 2017

Opnieuw Beginnen

Opnieuw beginnen

Hoewel vakanties tegenwoordig heel het jaar door terugkomen, zijn de meeste zomervakanties nu wel voorbij. Iedereen is weer begonnen. Daarom ‘Opnieuw Beginnen’. Bij mij roept die titel herinneringen op aan een brochure die eind jaren zeventig werd uitgegeven door Youth for Christ Nederland en die bedoeld was voor verspreiding onder zoekende jongeren. De boodschap kwam erop neer dat je een nieuw leven kon beginnen door je te bekeren en een volgeling van Jezus te worden. Dit sloot aan bij het goede nieuws van Jezus zelf: “Het Koninkrijk is nabijgekomen, begin opnieuw en geloof dit goede nieuws.” Hiermee raken we dus aan de kern van het bevrijdende evangelie. Maar is opnieuw beginnen wel zo bevrijdend? Opnieuw beginnen na een vakantie kun je ook ervaren als een einde aan de vrijheid en een terugkeer naar het gewone leven als loonslaaf, of slaaf van al je verantwoordelijkheden en morele verplichtingen. Niet bepaald bevrijdend en om naar uit te zien.

Opnieuw beginnen kan ook betekenen: beginnen aan nieuwe pogingen om te beantwoorden aan de veel te hoge eisen die het leven aan je stelt zonder geloof, dat het dit keer wel zal lukken. Opnieuw proberen van je verslavingen af te komen. Opnieuw proberen aardiger te zijn. Opnieuw proberen meer aandacht aan je gezin te besteden. Zoals we dat vaak doen aan het begin van een nieuw kalenderjaar. Meestal is dat geen erg hoopvol opnieuw beginnen. Het eindigt vaak in de bekende patronen en daarbij een schuldgevoel en een negatief zelfbeeld, of erger, in een al dan niet uitgesproken vernietigend oordeel van je omgeving. Zo kan het opnieuw beginnen door Jezus niet bedoeld zijn als het werkelijk goed nieuws is.

Deze zomer hield ik een serie preken over Romeinen 7 en 8. In Romeinen 7 hoor je bijna de wanhoop van iemand die zijn leven lang alles in het werk heeft gesteld om aan de eisen van het leven te voldoen en die keer op keer tot de conclusie moet komen: Ik red het niet! Het is te hoog gegrepen. In het geval van Paulus wordt die eis van het leven vertegenwoordigd door de wet van God, de Torah. Die wet ervaart hij als een ondraaglijk juk dat een mens tot slaaf maakt. Het komt als een ware bevrijding als hij in Romeinen 8 daar tegenover het leven door de Geest stelt. De Geest is verbonden aan de bevrijdende boodschap van Jezus: Het nieuwe begin. Die Geest overtuigt ons ervan dat wij ons kinderen van God mogen weten. Dat is om twee redenen bevrijdend. In de eerste plaats omdat dit een boodschap van onvoorwaardelijke acceptatie is. Je mag deel uitmaken van Gods gezin. Er is geen sprake meer van oordeel en mogelijke afwijzing. In de tweede plaats is het bevrijdend omdat het een nieuw begin inhoudt. Niet in de zin van een nieuwe poging om het onmogelijke te doen, maar in de zin van opnieuw kind zijn. Misschien spreekt Jezus daarom ook wel over ‘opnieuw geboren worden’ tegen Nicodemus.

Als kind ben je op weg naar volwassenheid, maar je krijgt alle ruimte om nog niet volwassen te zijn. Kind zijn is als het ware een ontdekkingstocht naar het goede leven. Daarbij hoort ruimte voor fantaseren, experimenteren, grenzen aftasten, nieuwe wegen inslaan, je neus stoten, schade oplopen, genezen, extatische ontdekkingen doen, intense teleurstelling meemaken, fouten maken, een spiegel voorgehouden krijgen door je gezinsleden, maar altijd in de wetenschap dat je veilig en welkom bent in je gezin. Er is geen oordeel, geen afwijzing. Opgroeien is in essentie een creatief proces, dat je als ouders en omgeving moet begeleiden, maar dat je vooral niet te veel moet willen sturen of belemmeren. Al je ervaringen in dat groeiproces maken je dan tot wie je bent.

Ik hoor Paulus in Romeinen 8 zeggen dat wij als gelovigen die vrijheid ontdekt en gekregen hebben. Dit maakt dat wij elke dag verwachtingsvol tegemoet kunnen zien, uitziend naar nieuwe ervaringen, levenslessen, ontdekkingen. Het maakt dat wij hoopvol in het leven kunnen staan in onze dagelijkse zoektocht naar het Koninkrijk van God, het Goede Leven. Want alles werkt mee ten goede en uiteindelijk kan niets ons scheiden van Gods liefde in Christus. Daar waar wij die vrijheid nemen en dat nieuwe begin maken, daar zijn wij teken van het Goede Leven en teken van hoop in situaties waarin het leven mensen tot slaven gemaakt heeft.

Zouden we zo telkens opnieuw kunnen beginnen? Hoopvol, verwachtingsvol, fantaserend, creatief, experimenterend, met ruimte voor vallen en opstaan, maar nooit veroordelend of afwijzend? In de Geest van Christus kunnen we die vraag toch alleen maar bevestigend beantwoorden en in geloof, hoop en liefde op weg gaan?

Wall Street Tulipomania

Marten Knevel 2016 | Photographic Art on brushed aluminum, 120 x 83 cm| € 500,00

At the edge of the Financial District in New York, we encountered the new shopping Centre, Brookfield Place. I was immediately fascinated by the glass facade of the Port side entrance, lavishly decorated with tulips.

The tulips made me think of the tulipomania, the speculative bubble around newly introduced tulip bulbs in the golden age. In a period of three years the price of this tulip reached record highs (similar to the price of a city-residence, or more than ten years’ salary of a specialist) and in the same period the price collapsed completely. The tulipomania buyers and speculators were left destitute. This tulipomania has become a metaphor for contemporary economic bubbles like the Internet-bubble and Credit Crisis in recent years. These left large groups of people bankrupt as well.

Through Brookfield Place you enter the financial district with the new World Trade Center and Wall Street’s New York Stock Exchange. The tulips on the façade appear as a cautionary reminder for all workers in the district on the dangers of uncontrolled speculation. With my Photographic Artwork ‘Wall Street Tulipomania’ I want to emphasize that.

On a large terrace the workers from the Financial District and others are carelessly enjoying their free time and the weather. The negative effects of the last crisis seem to have overcome, but the tulips recall, in their paradoxical cheerfulness, that irresponsible speculation in the future can make victims again.

 

Christelijk stemmen over het vluchtelingenbeleid?

stemwijzerBij mijn voorbereiding een van een kerkdienst rond de actie voor kerken in het midden oosten, raakte ik onder de indruk van het lijden van mensen in Syrië. Wat houden zij het lang vol in onmenselijke en uitzichtloze situaties. Waarom slaan ze niet eerder op de vlucht? Ik raakte onder de indruk van de inzet van kerken, christenen en anderen om de miljoenen vluchtelingen in de regio op te vangen en een enigszins menswaardig bestaan te geven. Vrijwel onmogelijk. Wat een moed, dat je als jonge theologe, uit Libanon terug wil naar je geboorteplaats om daar de gemeente te leiden en de boodschap van de kerk levend te houden in een omgeving waar je voorganger en tachtig procent van de gemeenteleden en stadgenoten al gevlucht zijn voor het geweld en waar je zelf naaste familie verloren hebt door IS. Ik heb dan moeite met oproepen in Nederland om vluchtelingen buiten de deur te houden en ze in de regio te laten opvangen. Het voelt aan als een vreselijk tekort schieten in de naastenliefde, waartoe wij ons door Jezus geroepen weten. Tegelijk onderken ik dat er terechte zorgen zijn over de gevolgen van een al te ruimhartig toelatingsbeleid. En ik voel mij niet gerechtigd om elk verzet zomaar als onchristelijk te bestempelen.

Is er wel een christelijke houding in deze kwestie? Ik denk het wel. Dat werd mij duidelijk toen ik enkele felle tegenstanders van een ruimhartig toelatingsbeleid sprak. Zij bleken namelijk geen benul te hebben van wat er in Syrië aan de hand is. “Nee, ik heb geen zin in die ellende. Als dat voorbijkomt dan zap ik naar een ander kanaal”. Een ander bleek niet of slecht op de hoogte van achtergronden en van onze westerse betrokkenheid bij het probleem. En toch hadden zij hun oordeel over het vluchtelingenbeleid klaar.

Als Jezus ons oproept God en naaste lief te hebben en daarom de ander te behandelen zoals wijzelf behandeld willen worden, dan vraagt hij van ons dat wij bereid zijn om ons in te leven in de ander. In dezelfde context roept hij ons op niet te oordelen. Van christenen mag je dus verwachten dat zij bereid zijn zich in te leven voordat zij zich een mening vormen over het vluchtelingenbeleid en zeker voordat zij een stem uitbrengen, want met onze stem beschikken wij over levens van onze naasten.

Kies dan het leven

De verkiezingen naderen en ik moet bekennen dat ik mij zorgen maak. Ik heb het gevoel dat wij als Nederlandse samenleving met deze verkiezing voor een keuze staan, die grote invloed kan hebben op onze toekomst. Ik maak mij zorgen omdat de politiek steeds meer polariseert en groepen in de samenleving tegen elkaar uitspeelt. Ik heb het gevoel dat er zo onzorgvuldig omgesprongen wordt met waarheid en leugen, dat je niet meer weet wie nog te geloven is en wie of wat nog betrouwbaar is. Structureel en vaak ongefundeerd wantrouwen jegens elkaar en jegens instituties als bestuur, onafhankelijke pers, rechtspraak en wetenschap wordt gevoed in de samenleving. Alles lijkt bij te dragen aan een klimaat van vijandigheid. Een dergelijk klimaat lijkt mij een slecht uitgangspunt voor een verantwoorde keuze op 15 maart.
In zekere zin doet deze situatie mij denken aan de situatie van het volk Israël zoals geschetst in Deuteronomium 30. Het volk staat voor de grens van Israël op het punt om het beloofde land in te trekken. Mozes stelt hen dan voor een keuze en het welzijn van heel het volk in het beloofde land hangt af van die keuze. Het gaat om de keuze door wie zij zich laten leiden in het beloofde land. Door God of door de afgoden. Hij roept hen op voor God te kiezen en daarmee voor het leven, voor voorspoed en voor zegen voor heel het volk. Jezus sluit hierop aan als hij zijn volgelingen voor de keuze stelt: God of mammon; en hen oproept om het Koninkrijk van God te zoeken. Het is belangrijk om te bedenken dat God in het geval van Mozes de God van heel het volk is, die het heil van heel het volk op het oog heeft. Voor Jezus is God de God van alle mensen die het welzijn van alle mensen op het oog heeft. De afgod en de mammon staan voor het deelbelang of eigenbelang, desnoods ten koste van anderen. Als wij gehoor geven aan de oproepen van Mozes en Jezus, dan gaan wij niet mee in een klimaat van vijandschap en wantrouwen, maar dan gaan wij uit van geloof, hoop en liefde met het oog op het welzijn van allen: alle Nederlanders ongeacht afkomst, kleur, geslacht, religie, opleiding, capaciteiten …., maar ook alle mensen en volken daarbuiten. Kies dan het leven.